Dirk van der Wulp
Tijdschrift voor Leerlingbegeleiding 26, november 2003
“Dan word ik
helemaal gek!”
Een paar weken geleden kwam Lineke, meegesleept door een vriendin, zich melden
bij mijn counselorskamer. Beiden beschadigden zichzelf. De één sinds een week,
Lineke al een stuk langer.
Om te beginnen hebben beide meisjes iets verteld over wat
ze deden, hoe vaak en spraken we kort over wat volgens hen de reden van het
krassen zou kunnen zijn. Als oplossingsgerichte counselor vraag ik Lineke al heel
snel: “Wat moet er gebeuren om ons gesprek nuttig te laten zijn voor jou?” Het
antwoord: “Ik wil stoppen!” én “Ik wil snappen waarom ik me klote voel”. Dat
zijn een paar duidelijke doelstellingen om aan te werken. Maar hoe? Op mijn
bewust naïeve vraag waarom ze dan niet ‘gewoon’ stopten was het antwoord: “Dan
voel je je zó klote en als het dan niet kan, dan word je helemaal gek en dan
doe je het toch weer”.
Omdat dit gesprek met twee leerlingen gelijktijdig meer tijd kost dan
normaal en de tijd vrijwel om is geef ik hen de volgende vraag (de
‘wondervraag’ uit de oplossingsgerichte korte counseling) mee naar huis om vast
over na te denken. Daarmee zet ik ze wellicht op het spoor
naar mogelijke oplossingen en gaan ze wellicht al meer positief denken.
Het tweede gesprek kwam ik terug op de wondervraag: “Stel je voor ...
straks nadat je hier weggegaan bent, ga je verder met de dingen die je normaal
ook altijd doet ... en uiteindelijk dan ga je naar bed en op zeker moment val
je in slaap ... en dan ... vannacht .... terwijl
je slaapt ... gebeurt er een wonder. Je problemen waarover je me vertelde zijn
helemaal opgelost. Alleen - omdat je sliep - weet je niet dat dat wonder
gebeurde. Hoe merk jij, de ochtend na het wonder, dat het wonder gebeurd is?
Wat doe je anders, wat denk je anders, wat doen anderen anders?”
Lineke kwam met de volgende antwoorden:
Vervolgens ben ik samen met Lineke die antwoorden verder gaan onderzoeken:
“Wat doe je wél als je minder piekert?”
“Dan doe ik nuttiger dingen zoals
Allemaal dingen die ik nu niet meer doe. Dán heb ik meer te doen.” “En als
ik gezelliger ben dan spring ik vrolijk rond, dan praat ik mee, ik maak grapjes
enzo.”
Het is duidelijk aan het worden dat Lineke uit het niet eens zo verre
verleden best nog weet hoe het is om ‘gewoon’ vrolijk en gezellig te zijn en niet
te piekeren. Daardoor kan ze nu al de kiem van de oplossing voor zichzelf
formuleren: “Ik moet gewoon meer dingen gaan doen als ik zo aan het piekeren
ben.” En alleen al doordat ze zich nu intensief een voorstelling maakt van hoe
het is om zonder het probleem te zijn, gaat ze zich al beter voelen dan
daarvoor.
Tijd voor een schaalvraag:”Op een schaal van 0 tot 100 waarbij de 0
voorstelt hoe je je voelde toen het het allerergst was en de 100 is de dag na
het wonder, waar zit jij nu dan?” Daarop krijg ik als antwoord dat ze op de 15
zit. Mijn reactie: “Geweldig, al op de 15, dat is niet mis, hoe heb je dat voor
elkaar gekregen om al op de 15 te zitten?” “Ik heb er over gepraat, met mijn
vriendin en met u, dat helpt.”
“En wat zou je kunnen doen om een heel klein, minuscuul stukje op te
schuiven in de richting van de 100?”
“Minder nadenken! (en op mijn vraag wat daarbij kan helpen), gaan praten
met mijn moeder, tv kijken, boek lezen, nou ja al die dingen van het wonder.”
Doordat ze nu haar moeder noemde kon ik gemakkelijk nog eens vragen of die
het al wist van het krassen? Nee dus. “Zou het nuttig zijn als je moeder wel
wist dat je jezelf zo vaak beschadigde?” “Ja eigenlijk
wel, maar toch … griezelig, hoe zal ze reageren, dan mag ik misschien wel niks
meer, …” Op dat moment was het handig dat haar vriendin er ook bij zat. Die kon
namelijk uit eigen ervaring vertellen wat een opluchting het was toen ze het
thuis eenmaal verteld had. Op mijn suggestie aan Lineke dat ík dan haar moeder
zou bellen en het zou vertellen, schrok Lineke weer hevig. “Nee, ik wil het
zelf vertellen.” Als tussenoplossing besloot Lineke dat ik haar moeder wel
mocht bellen, maar alleen om te zeggen dat Lineke haar ’s avonds iets niet zo
leuks maar wel belangrijks moest vertellen. Tot nu toe wilde ze het haar moeder
eigenlijk wel vertellen, maar als puntje bij paaltje kwam stelde ze het toch
telkens weer uit.
Door het te doen volgens dit nieuwe plan maakte ze het voor zichzelf
onmogelijk om het gesprek met haar moeder nogmaals uit
te stellen. Dus, zo gezegd zo gedaan en waar Lineke bijzat heb ik haar moeder
gebeld. Daarmee was de tijd voor dit gesprek vrijwel op. Mij restte alleen nog
om te bedenken wat voor nuttige ideeën ik Lineke mee zou kunnen geven voor de
komende week. In elk geval nuttig leek me de suggestie” Doe dat wat je kan helpen om een paar punten op de schaal van 0 tot 100 te
stijgen”. Verder ook dat ze haar moeder echt gaat vertellen over haar krassen
en haar zorgen. Beide suggesties pakte ze op en wilde ze graag uitvoeren. Toen
ik Lineke vroeg of er verder nog iets was wat ze die week wilde doen kwam ze
met: “Ik ga één hele dag mezelf niet krassen.” “Kun je dat dan volhouden?” “Ja dat kan ik wel, maar dan wordt ik wel helemaal gek. Maar
ik ga het toch doen” “Geweldig” was het enige wat ik
daarop nog kon toevoegen.
De keer daarop was de eerste vraag: “En… wat deed je goed deze week?” Het
voornaamste was dat het gelukt was om echt een dag niet te krassen. “Geweldig!”
“Je kunt het dus: een dag niet krassen.” Om deze ervaring verder te bestendigen
vroeg ik nu: “Wat hielp jou om het die dag niet te doen?” waarop ze noemde:
Zo blijken de mogelijke oplossingen uit de schaalvraag van eerder nú werkelijke
oplossingen te zijn geworden.
Verder had ze haar moeder één en ander verteld (maar nog niet alles) en het
was inderdaad een enorme opluchting dat haar moeder er nu ook van wist. Ook
hiervoor kreeg ze uiteraard de grootste complimenten.
De volgende vraag in dit gesprek is een oude bekende: “Wat moet er in dit
gesprek of door dit gesprek gebeuren om te maken dat het voor jou nuttig is
geweest.?” Daar kwam na enige discussie en doorvragen (vooral: “… en wat kun
jij doen om te zorgen dat dat gebeurt?”) o.a. het volgende uit:
Op de vraag welk van deze dingen voor haar het belangrijkste was bleek dat
het laatste te zijn. Dus hebben we vervolgens de voor- en de nadelen van het
‘het uitmaken’ met het vriendje maar eens op een rij gezet. Het werd Lineke
daardoor heel duidelijk dat ze het echt wilde uitmaken. Dus spraken we verder
over wat haar tegenhield en wat haar zou kunnen helpen het toch te doen. Deze
keer ging ze naar huis met de suggestie om een paar kleine dingen te doen die
haar konden helpen om het met haar vriendje uit te maken. En opnieuw wilde ze
minstens één dag niet meer krassen.
Ondertussen kwam de zomervakantie snel dichterbij en ik maakte me toch wel
zorgen dat ze dan zo lang geen begeleiding meer zou hebben. Dus heb ik met haar
besproken dat verdere hulp van buiten school me erg
nuttig leek. Ze was het er meteen mee eens en vond het prima als ik moeder zou
bellen om haar dat ook te vertellen. Binnen een week had ze
een afspraak bij onze plaatselijke psychologe en kon ik haar geruster loslaten.
We maakten nog één afspraak zodat ze me kon vertellen hoe het verder met
haar en haar vriendje ging. Op die afspraak kwam ze heel
vrolijk binnen en vertelde dat ze het meteen ’s avonds had uitgemaakt, dat hij
het heel goed had opgenomen, dat ze vrienden gingen blijven (één van haar
angsten was geweest dat hij haar niet meer zou willen zien en spreken), dat ze
meteen veel minder piekerde en dat het bij de psychologe heel fijn ging.
Een week of twee later, na de proefwerkweek, vond ik een briefje van haar
op mijn bureau met de tekst: “Ik dacht dat u wel zou willen weten dat ik
gestopt ben mezelf te pijnigen. Ik ga toch verder bij die mevrouw om erachter
te komen hoe het zo gekomen is. Bedankt voor uw hulp en steun. Hoogachtend,
Lineke.”
Nog geen week daarna op de diplomauitreiking kom ik tot mijn stomme
verbazing ook Lineke tegen. Haar zus is geslaagd. Tijdens de borrel achteraf
komen moeder en dochter speciaal op me af om me het mooiste cadeau van de avond
te brengen. Na een kort gesprekje eindigt moeder, terwijl een vrolijk kijkende
Lineke haar hoofd op haar moeders schouder heeft liggen, met de woorden:
“Bedankt, ik heb mijn dochter weer helemaal terug.”
De in dit artikel opgenomen vraagmogelijkheden zijn onderdeel van de
methodieken uit de Oplossingsgerichte Korte Counseling. Meer informatie
hierover en 2 eerder in TvL verschenen artikelen over de Oplossingsgerichte
Counseling kunt u vinden op www.digischool.nl/llbeg/counsel/.
Op het congres van de NVL op 1 november in Bilthoven kunt u een workshop over
dit onderwerp volgen.
Dirk van der Wulp is schoolcounselor en biologiedocent op het Jac. P.
Thijsse College in Castricum, heeft daarnaast een eigen praktijk voor coaching
en counseling en geeft trainingen in de Oplossingsgerichte Korte Counseling.
Bij de Digitale School onderhoudt hij de pagina's van de Digischool-counselor
Voor meer informatie: 020 - 6233719 of Dirk@vanderWulp.EU
Literatuur
Hans Cladder,
Oplossingsgerichte Korte Psychotherapie,
Swets & Zeitlinger B.V., Lisse
Peter de Jong & Insoo Kim Berg
De kracht van oplossingen, Handwijzer voor oplossingsgerichte
gesprekstherapie
Swets & Zeitlinger B.V., Lisse
Myriam Le Fevere de Ten Hove
Korte Therapie, Handleiding bij het 'Brugse model' met een toepassing op
kinderen en jongeren,
Garant, Leuven-Apeldoorn (Koninginnelaan 96, 7315 EB)
ISBN 90-5350-940-2
Dirk van der Wulp, 'Bedankt, ik red me nu wel', TvL, jaargang 23, nummer 5,
oktober 2000, blz 10 t/m 17
Dirk van der Wulp, Jouw oplossing is niet heilig, TvL jaargang 25, nummer 4,
september 2002, blz. 31 t/m 35